Het zevende kind -Woord vooraf - Proloog en Hoofdstuk 1

Woord vooraf :
Soms lijkt het leven op een kaartenhuis: één onverwachte gebeurtenis, en alles wat zo stevig leek, valt in elkaar.
Ik ben Joannes Vink, het zevende kind in een gezin van elf.
Mijn jeugd speelde zich af tussen broers en zussen, in een huis vol lawaai, liefde en soms ook verdriet.
De dood van mijn vader was het moment waarop onze wereld voorgoed veranderde.
Plots stond mijn moeder er alleen voor, en moesten wij, de kinderen, veel te vroeg volwassen worden. Dit boek is mijn reis door die jaren: een verhaal verteld aan de hand van anekdotes die ik zelf heb meegemaakt of die mij zijn toevertrouwd.
Bij sommige verhalen voeg ik een feestmenu uit die tijd toe, authentiek, bewaard in de oorspronkelijke schrijfwijze, precies zoals het toen aan tafel werd geserveerd.
En soms vermeld ik ook de muziek van toen, die door de radio klonk of draaide op de vinylplaten, want muziek brengt vrijheid, vreugde en herinneringen, in alle tijden. Het is niet alleen mijn verhaal, maar ook dat van mijn zes broers en drie zussen, en van de vele neven en nichten die deel uitmaken van onze familiegeschiedenis.
Ik vertel over onze dromen en onze tegenslagen, over verlies en veerkracht, en over familiebanden die, ondanks alles, nooit zijn gebroken. Welkom in mijn wereld, tussen de Vinkskes.
Hoofdstuk 1
De Biechtstoel vergaf, het bed herinnerde.
Proloog I
Op een koude winterochtend, 3 december 1962, werd ik abrupt gewekt door mijn vriend Eric.
"Johan, er is iemand beneden aan de deur,"
fluisterde hij zachtjes bij de slaapkamerdeur.
Nog in mijn pyjama en nietsvermoedend liep ik de trap af.
Bij de deur stond mijn oudste broer Luc, met een bezorgde blik in zijn ogen.
"Je moet dringend naar huis komen, er is iets gebeurd,"
zei hij met een ernstige toon.
Ik had het weekend doorgebracht bij Eric, van zaterdagmiddag tot maandagmorgen, ik leed aan wagenziekte, een kwaal die me nooit eerder ergens van had weerhouden, maar die me nu, van alle weekends, net dit weekend thuis hield. Op maandag 26 november had mijn vader een ernstig auto-ongeluk gehad. Met zijn splinternieuwe Mercedes 190, nog geen 2.000 kilometer op de teller, hij had er, zou ik later denken, amper de tijd voor gehad om er trots op te zijn, was hij met hoge snelheid tegen een boom gereden in Leupegem. Zwaar gewond, met tal van breuken en verwondingen, werd hij naar het hospitaal van Oudenaarde gebracht.
Volgens mijn vader was de auto beginnen slippen, waardoor hij uit de wagen werd geslingerd. Op het laatste moment had hij zich nog net kunnen wegdraaien voordat de stuurloze auto met hoge snelheid tegen een boom werd geslingerd. Een koude rilling liep over mijn rug terwijl ik naar Luc luisterde. De realiteit begon langzaam tot me door te dringen, en eenmaal thuis gekomen werd mij verteld dat onze vader vroeg in de ochtend overleden was, in het bijzijn van zijn geliefde Elza, onze moeder. Ik wist dat mijn leven, en met uitbreiding dat van de hele familie, vanaf dat moment nooit meer hetzelfde zou zijn.
Meester van de breimachines
De meeste sprookjes beginnen met
"Er was eens...",
of, als het echt plechtig moet,
"Heel lang geleden...".
Maar dit is geen sprookje. Dit is hoe ik het mij herinner, en herinneringen zijn koppig. Ze ruiken naar olie en papierstof, en zijn soms scherper dan foto's, al zal niemand ze ooit controleren op waarheidsgetrouwheid. Onze vader, Jozef Vink, voor iedereen Jef, of Jo, had altijd zijn eigen zaakjes lopen, in het meervoud, want één zaak was voor hem blijkbaar nooit genoeg.
Hij was exclusief vertegenwoordiger van Albi, een Duitse fabrikant van rondbreimachines. Geen speelgoed, dat mag gezegd: het waren echte productiemachines, gegeerd in de hele breigoedsector, wat op zich al veel zegt over hoe opwindend die sector kon zijn. Daarnaast handelde hij in tweedehandsmachines, voor fabrikanten die hun machinepark wilden vernieuwen. Hij werkte niet op commissie, dat was hem te bescheiden. Hij verkocht aan het hoogste bod, alsof hij tegelijk veilingmeester was en marktkenner, en, uiteraard, de enige in de zaal die wist wat alles werkelijk waard was. Zijn atelier lag achter de Confiserie Supra, bereikbaar via een doorgang zo smal dat elke machine die erdoor moest vanzelf promoveerde tot lokaal spektakel. De nieuwe machines kwamen op straat toe, en dan begon het: geduw, getrek, geroep, en de stellige overtuiging van minstens drie mannen dat het
"zo nooit ging passen..."
... tot het toch paste.
Binnen stonden de tweedehandsmachines, in verschillende stadia van waardigheid: de ene half gedemonteerd, de andere al opgepoetst en pronkend alsof ze nooit tweedehands was geweest, weer een andere nog stoffig en moe, wachtend op een tweede leven waarvan ze het bestaan nog niet vermoedde. Zodra er geladen of gelost werd, doken de buren op, niet om te helpen, uiteraard, maar om te kijken, wat in onze straat als een volwaardige vrijetijdsbesteding gold. Het was telkens een onderneming op zich: het gekraak van hout, het schuren van metaal tegen de muren, mannen die duwden en trokken, en vader die commandeerde, boven het lawaai uit, met het gezag van iemand die zelf geen vinger had uitgestoken. En daar stond hij dan, middenin dat geduw en getrek, met zijn hoed die al evenveel regen als zon had gezien, en zijn sigaar die als een vast decorstuk uit zijn mondhoek hing.
Die sigaar leek nooit op te branden. Soms denk ik dat hij er gewoon me sliep, en dat hij hem 's ochtends niet aanstak maar gewoon weer wakker maakte. In zijn kantoor lag alles netjes gerangschikt: ponskaarten, naalden, draadgeleiders, paraffine, bobijnen, en nog veel meer, een hele wereld van onbeduidende dingen die bij hem, met de juiste blik en het juiste voorstel, plots wél iets waard bleken. Alles had zijn plaats, alles had zijn logica, en alles werd door hem verhandeld met dezelfde doodse ernst als de grote machines zelf.
Voor hem bestond er geen klein of groot. Er bestond alleen handel, en misschien, ergens onderaan die lijst, ook nog familie. Niemand kende de koopjes zoals vader ze kende. Hij kende de breigoedwereld van het Waasland tot in de kleinste hoekjes, en kon uit het hoofd vertellen welke fabrikant welke machines had staan, hoeveel er stonden, in welke staat ze verkeerden, wanneer ze voor het laatst onderhouden waren, informatie waar hij, had hij ze verzameld over pakweg de beurs, ongetwijfeld rijk me was geworden. Hij wist waar die mensen woonden, waar hun bedrijf lag, hoeveel personeel ze hadden, hun telefoonnummer, en vooral, of er zaken me te doen waren, wat voor hem de enige vraag was die er echt toe deed. Hij fietste de hele stad rond en was er als de kippen bij zodra er iets te verdienen viel. En als hij zijn tanden ergens in zette, liet hij niet meer los, een eigenschap die thuis niet altijd als deugd werd ervaren.
Hoe ouder hij werd, hoe feller zijn zakeninstinct, alsof de jaren hem niet milder maakten maar juist meer tijd gaven om er zeker van te zijn dat hij gelijk had. In de Waase breigoedwereld was hij een gekende, alom geprezen figuur, al waren "gekend" en "geprezen"
in zijn geval niet altijd hetzelfde als
"geliefd".
Je herkende hem uit de duizend. Hij liep niet, hij bewoog zich door de straten, te voet of op zijn fiets, met een vanzelfsprekendheid alsof hij er koning was, en niemand had hem ooit ingelicht over het tegendeel. En altijd die sigaar, stille getuige van zijn dagelijkse ronde, uit zijn mondhoek priemend, als een klein rokend bewijs dat de wereld nog altijd draaide zoals hij het wilde.
Wat er achter die sigaar schuilging, lees je in het volgende stuk.